Didactische opzet

Vaste herkenbare patronen, vooroordelen en vooringenomenheid zijn menselijke eigenschappen die de controller van vandaag zich niet kan veroorloven. De controller moet leren kijken om te kunnen zien. Leren kijken is je eigen vooringenomen werkelijkheid opzij zetten. Leren kijken is zonder vooroordeel open staan voor wat er zich in je omgeving afspeelt. Leren kijken is een voorwaarde om te begrijpen wat er gebeurt. Alleen als je werkelijk begrijpt wat er gebeurt, mag je verwachten dat de acties die je onderneemt het gewenste effect sorteren. Begrip is zien wat er werkelijk speelt. Begrip is daarmee niet alleen de brug tussen kijken en zien, maar ook tussen leren en effect sorteren.

Van leren kijken naar leren zien is bovenal een leerproces. Het ontwikkelen van het vermogen tot ‘zien', tot begrip staat derhalve centraal in de didactische vorm die voor de opleiding is gekozen. De kerngedachte achter de door de opleiding gekozen leermethode is dat leren altijd begint met de verkenning, bewustwording en activering van eigen voorkennis en het beeld dat men heeft op de eigen dagelijkse praktijk. Leren vindt dan plaats wanneer iemand in een voor hem betekenisvolle situatie frictie ervaart tussen de eigen voorkennis of eigen percepties en die van anderen en vervolgens gemotiveerd is die frictie op te lossen door doelgericht te leren, samen met medestudenten en docenten. Wij noemen dit participerend leren.

Participerend leren is cumulatief. Leren wordt daarmee tot een ontdekkingstocht waarin je stap voor stap verder komt, stil staat bij wat je ontdekt en daarmee rekening houdt op je verdere tocht.

Bij participerend leren staat het verhogen van het ‘vermogen om te leren' centraal. Zoals gezegd vindt leren plaats wanneer iemand in een voor hem betekenisvolle situatie frictie ervaart tussen de eigen voorkennis en percepties en die van anderen en vervolgens gemotiveerd is die frictie samen met medecursisten en docenten op te lossen. Het gaat daarbij om het ontwikkelen van vaardigheden om een probleem vanuit andere perspectieven te beoordelen en het vermogen om samen te werken met anderen.

Deze visie van de opleiding op leren is vertaald naar de opzet van de colleges. Die opzet stoelt op twee principes:

1.  ‘experimental learning': het proces waarin mensen stilstaan bij hun ervaringen en vervolgens hun gedrag veranderen. Dit leerproces kent vier verschillende fases die elkaar logisch opvolgen en zich steeds in een vaste volgorde herhalen. Het startpunt ligt bij de concrete ervaring. Hierop wordt gereflecteerd, waarna conceptualisatie plaatsvindt, die vervolgens wordt getest in nieuwe situaties (actief experimenteren).

2.  ‘case-based teaching': de nadruk ligt daarbij op het ontwikkelen van denkprocessen rondom het analyseren van de in cases beschreven situaties. De methodiek is bij uitstekt geschikt indien niet alleen kennisoverdracht maar vooral ook het ontwikkelen van vaardigheden en het vormen van attitudes tot doel is gesteld.

De docenten van de opleiding zijn vooral op als ‘facilitator'. De docent bepaalt (vooraf) wat het doel is van het college, hoe de discussie wordt geopend, wie in de discussie wordt betrokken, op welke wijze vragen worden gesteld, hoeveel discussie er gevoerd moet worden en hoe deze moet worden afgesloten. Dat alles vanuit de insteek dat: "the purpose of a case discussion is not to crack the case but rather to explore the multiple perspectives and interpretations".


Niet het vergaren van kennis maar het toepassen ervan staat centraal in de opleiding. Dat betekent niet alleen trainen en oefenen, maar vooral ook reflecteren. Reflectie op de eigen werksituatie wel te verstaan. Immers, kennis beklijft vooral indien toegepast. Reflectie op de eigen bedrijfspraktijk vormt dan ook het sluitstuk van een college.