Tussenstand onderzoek

Welk onderzoek wordt er momenteel uitgevoerd door onderzoekers van de faculteit? Hieronder treft u drie korte stukjes aan over het onderzoek van Prof.dr. Bart van den Hooff (Informatiekunde, Logistiek en Innovatie), dr. Eric Pels (Ruimtelijke Economie) en Joost Berkhout (PhD Econometrie/OR).

Het Ranken van Rankings - Joost Berkhout

Joost BerkhoutKeuzes die we maken omtrent het kopen van producten, het zien van films, het bezoeken van websites en zelfs het kiezen van een studie zijn tegenwoordig veelal gebaseerd op rankings. Het opstellen van dit soort rankings is vaak een subtiele zaak. Eén van onze onderzoeken gaat over de totstandkoming van rankings en in het bijzonder over de getoonde volgorde van websites na een zoekopdracht met Google. De drijvende kracht achter Google is het algemeen toepasbare algoritme genaamd PageRank. Grofweg beschouwt dit algoritme een websurfer die willekeurig op hyperlinks klikt en op deze manier over het internet ‘surft’. Zo nu en dan raakt de websurfer verveeld en kiest een willekeurige website om verder te surfen. De websites die over een langere termijn relatief vaak worden bezocht, krijgen een hogere ranking.

Uit ons onderzoek blijkt dat Google’s PageRank websites die de websurfer niet meer zal bezoeken zolang hij niet verveeld raakt, onderwaardeert. Op basis van Markov keten theorie (een wiskundig model) stellen we een alternatieve ranking voor die intuïtief betere rankings oplevert op basis van populariteit binnen het netwerk. Daarbij gebruiken we efficiënte berekeningsmethoden uit eerder onderzoek ter bepaling van de nieuwe ranking.

Het onderzoek verschijnt in de congresbundel van de conferentie WODES 2016 onder de naam “Google’s PageRank Algorithm for Ranking Nodes in General Networks” en is onderscheiden met de Best Student Paper Award.

Luchthavencongestie en marktmacht - Eric Pels

Eric PelsIn 2004 verscheen er een artikel van Erik Verhoef en mij over congestieheffingen op luchthavens. Een congestieheffing is een vorm van tolheffing in stedelijke gebieden om het verkeersaanbod te verminderen of infrastructuurprojecten te bekostigen. De belangrijkste conclusie was dat een pure congestieheffing welvaartverlagend kan zijn als luchtvaartmaatschappijen marktmacht hebben: een congestieheffing is niet nodig, omdat luchtvaartmaatschappijen de congestie zelf al doorberekenen. Daarna volgde in de literatuur een discussie over het al dan niet doorberekenen van congestie door luchtvaartmaatschappijen. Heel kort samengevat: naarmate luchtvaartmaatschappijen meer marktmacht hebben is de kans groter dat ze congestie doorberekenen. Een belangrijke empirische vraag is dus of luchtvaartmaatschappijen marktmacht hebben en of dit op alle routes in het netwerk hetzelfde is. Omdat de luchtvaartmarkten continu veranderen zijn de resultaten van ouder empirisch onderzoek niet meer bruikbaar. Daarom werk ik nu aan de vraag in hoeverre verschillende typen maatschappijen op routeniveau en netwerkniveau met elkaar concurreren. Daarbij ga ik verder met onderzoek dat ik in het verleden met Piet Rietveld heb uitgevoerd waarin we keken in hoeverre de prijs van een maatschappij beïnvloed werd door de prijzen van concurrerende maatschappijen en de prijzen van dezelfde maatschappij op eerdere dagen.

Een belangrijk probleem is dat we via internet wel prijzen kennen, maar dat we nooit weten hoeveel passagiers die prijzen ook daadwerkelijk betaald hebben. In mijn huidige onderzoek probeer ik theoretisch te verklaren hoe hoog een winstmaximaliserende prijs op een specifieke dag is, gegeven het totaal aantal stoelen op een vlucht en de kans dat een stoel verkocht wordt. Hieruit volgt een empirische specificatie die we voor verschillende markten kunnen schatten en uiteindelijk kunnen bepalen of er al dan niet sprake is van marktmacht.

Complexiteit en het managen van informatiesystemen - Bart van den Hooff

Bart van den HoofDe combinatie van al langer in gebruik zijnde systemen (“legacy”) en steeds geavanceerdere nieuwe technologieën maakt dat het ICT-landschap van (vooral grote) organisaties steeds complexer wordt. Maar wat is dan precies die “complexiteit”? In een systematische literatuurstudie maken we onderscheid tussen structurele complexiteit (de hoeveelheid elementen en relaties in een systeem), gedragscomplexiteit (hoe voorspelbaar het gedrag van een systeem is) en subjectieve complexiteit (hoe moeilijk een systeem te begrijpen is door degene die ermee moet omgaan) en brengen we in kaart wat er over elk van deze dimensies bekend is. Een eerste empirisch project richt zich vooral op subjectieve complexiteit: bij een financiële instelling onderzoeken we hoe percepties van complexiteit van ICT worden beïnvloed door structurele en gedragscomplexiteit, alsmede door de communicatie vanuit het management hierover. We zien hier grote verschillen tussen de stakeholders, sommigen begrijpen het ICT systeem beter dan anderen, en dit maakt het managen hiervan moeilijker. Tevens onderzoeken we hier hoe de complexiteit van het ICT-landschap wordt beïnvloed door een meer modulaire architectuur en het uitfaseren van oude systemen. Een ander project richt zich op de rol van de integratie van informatiesystemen bij fusies en overnames, en hoe deze integratie invloed heeft op de complexiteit van het ICT-landschap, en daarmee op de creatie van waarde. Eerste bevindingen wijzen erop dat de complexiteit van ICT-integratie een belangrijke reden kan zijn waarom beoogde synergievoordelen niet behaald worden.