De toekomst van het pensioenstelsel

"De wereld zit vol onzekerheid, instabiliteit en niet-lineaire ontwikkelingen."

Door Theo Kocken, Mauro Mastrogiacomo en Fieke van der Lecq

Op 20 mei jl. heeft de Sociaal Economische Raad (SER) een verkenning uitgebracht waarin een variant op de bestaande pensioenregelingen is onderzocht en uitgewerkt. Hierbij is een opbouw van persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling mogelijk. Met deze – technische – verkenning wil de SER een vervolgbijdrage leveren aan de discussie over een toekomstige pensioenregeling die een goed pensioeninkomen biedt en beter aansluit op de veranderende samenleving. Het rapport gaat daarnaast in op de vraag hoe een mogelijke overgang kan plaatsvinden en hoe de vergelijking tussen verschillende varianten uitpakt. Op basis van deze verkenning en het eerdere pensioenadvies wordt de brede dialoog die de SER was gestart, weer opgepakt. Daarmee wil de SER de discussie over en het draagvlak voor eventuele veranderingen versterken. De onderzochte variant is één van de in totaal vier varianten voor een toekomstbestendig pensioen die de SER al eerder presenteerde.

Reactie op SER-rapport - Theo Kocken

De SER heeft met haar uitgebreide en gedegen analyse over de verschillende pensioenstelsels voor de toekomst een grote stap gezet. Het is de SER duidelijk dat persoonlijke pensioenvermogens met collectieve risicodeling een goede kans maken als houdbaar pensioenstelsel voor de toekomst.

Ondanks de goede bedoelingen van een collectieve uitkeringsovereenkomst eist deze variant altijd een zeer complexe set aan regels en regelgeving om geld over vele generaties te verdelen. Deze rekenregels worden in de praktijk om de zoveel jaar aangepast, hetgeen de ene keer jongeren benadeelt en ouderen bevoordeelt, en de andere keer ouderen benadeelt en jongeren bevoordeelt. Aangezien mensen nu eenmaal veel sterker de keren dat ze zijn benadeeld onthouden (die voelen als verlies), leidt een dergelijk “win-lose”-pensioensysteem tot onhoudbare touwtrekkerij. Iedereen wordt op deze manier teleurgesteld. Dat is ook vandaag de dag het eindresultaat van ons verder mooie stelsel. Jammer, want het qua opbouw en beleggingen beste pensioenstelsel ter wereld wordt door de deelnemers hierdoor veel te laag gewaardeerd. Andere nadelen zijn de gebrekkige mobiliteit (bij onder-dekking mag je bijvoorbeeld niet je pensioen overdragen en erg veel deelnemers zijn momenteel aangesloten bij een fonds in onder-dekking) en de oneerlijke allocaties van renterisico (jongeren hebben teveel inflatierisico en ouderen hebben teveel renterisico, omdat er geen mogelijkheid tot leeftijdsgerelateerde allocatie van renterisico is in geval van één pot voor iedereen).

Daarmee komen we logischerwijs bij het persoonlijke pensioenvermogen met collectieve risicodeling, waar de SER veel aandacht aan besteedt. Deze set van varianten lijkt alle nadelen van het huidige stelsel weg te nemen, maar de voordelen van solidariteit in risicodeling te behouden. Er is echter niet één duidelijke variant voorgesteld, maar een set van nogal diverse varianten. Daaronder bevinden zich ook varianten die delen van het oude stelsel in zich hebben, zoals de buffers, waarmee we geluk- en pechgeneraties kunnen voorkomen. Dat heeft echter twee grote nadelen.

Jongere generaties zitten dubbel in de problemen
Allereerst komt de cruciale weeffout die het oude systeem onderuit heeft gehaald, namelijk complexe regels die geld verdelen tussen generaties en uiteindelijk altijd tot wantrouwen leiden, via de achterdeur weer terug. Ten tweede is de claim dat we geluk- en pechgeneraties kunnen voorkomen te optimistisch en leidt mogelijk tot het tegenovergestelde. Op basis van nette econometrische rekenmodellen laat de SER zien dat we een paar procent betere risk-return-bereiken onder aannames van het “middelen” van geluk en pech tussen huidige en toekomstige generaties. Ik beweer niet dat er fouten in de berekeningen zijn gemaakt, maar er zijn wel een aantal sterke aannames gemaakt: continuïteit van het stelsel en geen decennialange periodes van lage groei. Een systeem dat in geval van financiële tegenvallers meer uitkeert aan gepensioneerden dan normaal en dat goedmaakt in geval van meevallers, baseert zich op de aanname dat die meevallers snel komen en dat er ook altijd generaties zijn waar die tegenvallers over uitgesmeerd kunnen worden. Maar wat als we echt structureel slechtere tijden krijgen? De jonge generaties, die bij tegenvallers in het verleden de gepensioneerden extra hebben ondersteund, hebben dan zowel zelf met financiële klappen te maken gehad als dat ze de klappen van de oudere generaties hebben moeten opvangen. Ze zitten dus dubbel in de problemen. Op zo’n moment is het doorschuiven naar weer andere generaties na hen waarschijnlijk niet meer mogelijk, omdat het zichtbaar wordt dat er kans is dat steeds meer ellende vanuit een ver verleden wordt doorgeschoven. Een stelsel zal dan breken en er zal geen nieuwe instroom komen. Vervolgens slaat het hele verhaal van een beetje welvaartswinst om in groot welvaartsverlies voor een hele generatie.

Oftewel, buffers leiden conform de SER-berekeningen tot iets betere resultaten in een wereld met een beetje onzekerheid, maar tot extreem slechte resultaten als de wereld toch grilliger blijkt te zijn. En laten nu juist de laatste 10 jaar de meeste mensen hebben geleerd wat we al veel langer kunnen observeren: de wereld zit vol onzekerheid, instabiliteit en niet-lineaire ontwikkelingen. Kansverdelingen zijn daar geen werkbaar instrument om echte “pech” te definiëren. Een stabiel, robuust systeem moet met onzekerheid om kunnen gaan, in plaats van onzekerheid wegdefiniëren en hopen op een ideaal plaatje.

Met mijn wereldbeeld van onzekerheid pleit ik ervoor de stap te maken naar de varianten onder IV (met name IVa en IVb) van het rapport waarbij we de mogelijkheid van onduidelijk eigenaarschap sterk inperken, omdat goedbedoelde intenties om “geluk- en pechgeneraties” te verkleinen in de werkelijke wereld juist de pech voor een aantal generaties kan vergroten.

Kocken, Theo
Theo Kocken is hoogleraar bij de VU Business School Risk Management for Financial Institutions.

Reactie op SER-rapport - Mauro Mastrogiacomo

De SER stelt persoonlijke pensioenen voor om een pensioenstelsel te bereiken dat beter weerbaar is tegen schommelingen van de rente en beter aansluit op de veranderende samenleving.

Het Nederlandse pensioenstelsel is zeer paternalistisch en daardoor succesvol in het organiseren van consumption smoothing die armoede onder ouderen grotendeels voorkomt. Het relatief hoge ambitieniveau geeft gezinnen minder keuzevrijheid en vaak lange gezinsbalansen (kijk bijvoorbeeld naar de hypotheekschuld en het daarbij horende financieringsgat bij banken). Keuzevrijheid in verschillende vormen wordt echter duidelijk aangeboden in twee van de SER-varianten (IVa en IVb), ook al is de relatie tussen het opgebouwde vermogen en het pensioen dat een deelnemer kan verwachten dan minder helder, wat vervolgens veel vraagt van de financiële kennis van deelnemers.

In alle varianten die de SER voorstelt gaat het ambitieniveau omlaag en dat is noodzakelijk. Een nadeel van een hoog ambitieniveau is dat het de prikkel om te investeren in menselijk kapitaal verlaagt en de financiering eigenlijk als een ‘belasting’ op arbeid gezien kan worden. Bij hoge opgebouwde pensioenaanspraken hoort een lagere noodzaak om in menselijk kapitaal te investeren, met lagere arbeidsproductiviteit tot gevolg (en een hogere kans op een vervroegde uittreding die nog makkelijker wordt als veel pensioenvermogen aanwezig is). Deze belasting wordt verhoogd door de AOW-premies en dit ontmoedigt het arbeidsaanbod. Vergrijzing en intergenerationele herverdeling hebben de omvang van deze belasting ook vergroot.

Door een lager ambitieniveau kan het pensioenstelsel bijdragen aan een oplossing van deze problemen door een afweging te maken tussen paternalisme en keuzevrijheid. Consumenten zijn echter niet altijd in staat om genoeg te sparen voor het pensioen. Lagere ambitieniveaus zetten dan de consumption smoothing functie van het huidige stelsel onder druk. Omdat de keuze over de hoogte en timing van de pensioeninleg beperkt blijft, ook in de SER-varianten, kan de consument zijn financiële beslissingen niet volledig vrij maken. Dit komt omdat geen van de varianten het collectiviteitselement loslaten en ze allemaal uitgaan van een uniform beleggingsbeleid.

Stabiele premies zijn belangrijker dan stabiele uitkeringen om de cyclische fluctuaties, veroorzaakt door het pensioenstelsel, te beperken. Stabielere pensioenpremies worden bereikt door de jaarlijkse pensioenopbouw aan te passen aan de kostprijs van het pensioen. Stabielere uitkeringen voor een bepaalde generatie zijn het gevolg van het uitsmeren van goede en slechte beleggingsrendementen over de tijd (intergenerationele risicodeling). Ook al suggereert de SER dat het noodzakelijk is de randvoorwaarden voor het toekennen van premiestelling en indexatie vooraf vast te stellen, toch zijn deze regels grotendeels overgelaten aan de discretionaire beleidskeuzes van de pensioenfondsen.

Vanwege de diversiteit in arbeidsaanbodkeuzes over de levensloop, van zzp-er tot werken onder verschillende pensioenfondsen, passen persoonlijke pensioenen en de afschaffing van de doorsneesystematiek beter bij de huidige samenleving. De verschillende SER-varianten verschillen hier echter aanzienlijk van elkaar. Terwijl in variant Ia en Ib de buffer niet overdraagbaar is (wat ongunstig kan zijn voor de mobiliteit op de arbeidsmarkt), is bij varianten IVa en IVb de waardeoverdracht volledig flexibel.

Een transitie van de doorsneesystematiek naar een actuarieel eerlijkere systematiek is nodig vanwege de perverse herverdelingen bij verschillende arbeidsmarktpaden. Ook hier verschillen de I- en de IV-varianten van de SER aanzienlijk. In de laatste is individuele keuze in de opbouw (zonder negatief effect op andere deelnemers) mogelijk. In de eerste zijn de keuzemogelijkheden op het gebied van de inleg juist beperkt om de risicodeling voor toekomstige generaties in tact te kunnen houden. In de doorsneesystematiek betalen jongere deelnemers meer dan de actuariële waarde van de ingekochte pensioenaanspraak. Hierdoor vormt de doorsneesystematiek een obstakel voor het eventueel aanpassen van opbouwpercentages en dus ook voor een integrale benadering van thema’s als pensioen, wonen en zorg.

Mastrogiacomo, M
Mauro Mastrogiacomo
is universitair hoofddocent bij de afdeling Economics.

Het beste van beide - reactie op Theo Kocken en Mauro Mastrogiacomo, door Fieke van der Lecq

In de verkenning die de SER in mei 2016 uitbracht, is geprobeerd een pensioenregeling te ontwikkelen die goede eigenschappen van defined-benefit-regelingen (die zijn gebaseerd op een vaste uitkering) combineert met goede eigenschappen van defined-contribution-regelingen (die zijn gebaseerd op een vaste inleg).

Van DC-regelingen is het concept van persoonlijke pensioenvermogens meegenomen: iedereen heeft een persoonlijk ‘pensioenpotje’ waarin vermogen wordt opgebouwd voor het eigen pensioen. Het pensioenvermogen verandert door de ingelegde premies, de beleggingsrendementen, de kosten voor administratie en vermogensbeheer en door bij- en afschrijvingen vanwege de risicodelingsmechanismen. Die laatsten zijn uit DB-regelingen meegekomen: mechanismen om risico’s te delen vanwege beleggingsrendementen en de algemene levensverwachting (het macro-langlevenrisico).

Voor het beleggingsrisico wordt gewerkt met een expliciete buffer, met tevoren vastgestelde financierings- en verdeelregels. Alleen in geval van zeer hoge of zeer lage rendementen op vermogenstitels met variabele opbrengsten (zoals aandelen) kan er geld van de persoonlijke pensioenvermogens naar of uit de gezamenlijke buffer stromen. De gezamenlijke buffer mag nooit negatief zijn en als hij vol zit, blijft het geld in de persoonlijke pensioenvermogens. Hierover is geen discussie mogelijk, want de spelregels liggen vast (er is sprake van een compleet contract). Als de prognoses voor de levensverwachting worden bijgesteld, worden de lasten hiervan gespreid (langlevenaanpassings-mechanisme) of wordt dit risico verhandeld tussen oudere en jongere cohorten (langleven-ruilcontract). Ook hier liggen de spelregels van tevoren vast. De mechanismen voor risicodeling zijn aanzienlijk eenvoudiger dan de huidige regels uit het Financieel Toetsingskader (FTK) en daardoor beter uit te leggen aan de deelnemers. Voor herstel van vertrouwen is belangrijk dat deelnemers weten hoe de spelregels werken en dit kunnen terugzien in hun persoonlijke pensioenvermogen.

Met deze mechanismen van collectieve risicodeling in combinatie met persoonlijk pensioen-vermogen is een werkend prototype ontwikkeld van de beoogde nieuwe pensioenregeling. Het is nu aan de sociale partners en de politiek om te bezien of zij dit een interessante regeling vinden om te gaan uitwerken en deze in te voeren. De overgang (transitie) vraagt nog veel aandacht, maar de SER-verkenning laat zien dat ook dit vraagstuk oplosbaar is. Dat kan door de ‘dubbele transitie ineens’ uit te voeren: de doorsneeopbouw wordt afgeschaft en de bestaande uitkeringsrechten worden omgezet naar persoonlijke pensioenvermogens. Door de bufferopbouw geleidelijk te laten plaatsvinden en eventueel tijdelijk hogere premies te heffen, kunnen de generaties worden gecompenseerd die veel verlies lijden bij het beëindigen van de doorsneeopbouw. Dit zijn de generaties in de middenleeftijd van ongeveer 40-50 jaar. Daar staat wel tegenover dat de buffers minder snel op volle sterkte komen, maar dat effect wordt over alle generaties verdeeld.

Terecht wijst Theo Kocken er op dat buffers ook nadelen kennen. Ze zijn per definitie niet individueel toewijsbaar en kunnen daarmee ook niet worden meegenomen als deelnemers veranderen van pensioenfonds. Dit probleem is echter in de praktijk beperkt, doordat de buffers een beperkte maximale omvang kennen en doorgaans lang niet altijd op dat maximum zitten. De buffersituaties tussen pensioenfondsen zullen daardoor ook weinig uiteenlopen, waardoor de overstap naar een ander fonds qua aanspraken op de buffer beperkte impact heeft. Als er periodes zijn van langdurige tegenslag, zullen de buffers uitgeput raken. Aangezien zij in de SER-variant niet negatief mogen worden, zullen deelnemers in dat geval de slechte rendementen in hun persoonlijke pensioenvermogen terugzien. Dat is duidelijker en wellicht ook eerlijker dan het uitstel van afstempelen dat nu via de FTK-regels plaatsvindt. Ook daar wordt immers eerst een buffer opgemaakt en daarna vindt afstempelen pas ‘in ultimum remedium’ plaats, zodat er tijdelijk nog meer kan worden herverdeeld ten laste van jongeren. De SER-variant sluit dit laatste uit. Kortom: de balans tussen de voordelen van risicodeling via beperkte buffers en de nadelen van het verlies aan dergelijke buffers in perioden van langdurige tegenslag, lijkt positief te zijn.

Niet iedereen kan genoeg sparen voor het pensioen
Mauro Mastrogiacomo merkt terecht op dat er een uitruil is tussen individuele pensioenvermogens en stabiliteit in de pensioenresultaten. Hoe minder risicodeling, hoe meer mensen zelf de fluctuaties in hun pensioen moeten opvangen. We weten dat dit slechts weinigen gegeven is. Daarom heeft de SER in het eerdere pensioenadvies afgezien van het vergroten van keuzevrijheid. Wel is maatwerk geïntroduceerd, via het levenscyclusbeleggen dat binnen persoonlijke pensioenvermogens kan plaatsvinden. Het belang van stabiele premies voor de macro-economie is inderdaad relevant. Daarom is bij de afschaffing van de doorsneesystematiek (= doorsneepremie + doorsneeopbouw) niet primair gekozen voor een progressieve premie, maar voor een degressieve opbouw. Over dit onderwerp zal vermoedelijk in de politiek nog verder worden gesproken. Dat betreft eveneens de onderwerpen zzp-pensioen en wonen-zorg-pensioen, waarover de SER in het advies van februari 2015 geen duidelijke uitspraken heeft gedaan. Beide onderwerpen vergen immers nadere afwegingen, die bovendien verschillend zullen uitvallen naarmate wordt gekozen voor een uitkeringsregeling (variant Ib) of een premieregeling (IVa/IVb /IVc).

Er is dus nog veel werk te doen. Voor nu is het belangrijk om het tempo te bewaken. Doorgaan in de huidige situatie is naar mijn persoonlijke mening riskant, gezien de demografische ontwikkelingen, de vooruitzichten voor de financiële markten en de maatschappelijke trends. De SER zal de dialoog tussen sociale partners en andere betrokkenen faciliteren en op die manier blijven bijdragen aan draagvlak voor vernieuwing van het Nederlandse pensioenstelsel.

Fieke van der Lecq
Fieke van der Lecq
is Hoogleraar Pensioenmarkten, verbonden aan het Zijlstra Center en de afdeling Finance van de Vrije Universiteit Amsterdam Kroonlid van de SER en voorzitter van de SER-werkgroep Nadere Invulling Variant IVc.