Alumni in beeld


Alumnus van de faculteit: Han Dieperink 

Dieperink, HanHan Dieperink (1955) studeerde econometrie aan de VU en werkte al 25 jaar geleden samen met professor Peter Nijkamp in onderzoek naar regionale factoren voor innovatie. Hij was lange tijd directielid van een groot IT-bedrijf, gespecialiseerd in eOverheid en Social Media en stapte in 2010 als algemeen directeur over naar het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK). In mei 2013 werd hij benoemd als lid van de Raad van Advies van de masteropleiding Business Administration aan de VU.

Zijn ondernemers het redden waard?
Nederland heeft een goed ondernemersklimaat. Dat is de uitkomst van talloze onderzoeken waarin is vastgesteld dat Nederland internationaal een toppositie inneemt, waar het gaat om vestigingsfactoren voor ondernemers. Dat heeft ook een bewezen effect op het aantal startende ondernemers. In 2011 waren dat er ruim 134.000 volgens de Kamers van Koophandel, een stijging van 68% t.o.v. 2005.

Startende, groeiende en succesvolle ondernemers spreken tot de verbeelding, ondersteund door reclamecampagnes, een breed scala aan awards, online startercommunities, kortom Nederland stimuleert startende, groeiende en succesvolle ondernemers en zet daar alle mogelijke instrumenten voor in. Inmiddels is het aantal ondernemers in Nederland toegenomen tot boven de miljoen en in de beroepsbevolking is inmiddels 1 op de 8 zelfstandig ondernemer in het MKB.

Niet alleen het aantal starters toont de afgelopen jaren een spectaculaire stijging, dat geldt ook voor stoppende ondernemingen. Maar liefst 67.302 ondernemers hielden het volgens het EIM voor gezien in 2010, waaronder bijvoorbeeld 10.550 winkels en 3.648 horecaondernemingen.  Een deel van de ondernemers stopte vanwege leeftijd (14%), ziekte (11%) en de overgang naar loondienst (11%), maar ruim de helft van de stoppers (35.000 ondernemingen) hield er mee op vanwege financiële redenen (bron EIM).

Wat betreft de overlevingskans van ondernemers staat Nederland eens niet in de top drie of vijf van een ranglijst. Integendeel, want Nederland lijkt op dat vlak het slechtste jongetje van de klas te zijn. Vijf jaar na oprichting is in Nederland nog 54% van de ondernemingen actief, tegenover 80% in het Verenigd Koninkrijk, 87% in Zwitserland, 73% in Italië. Natuurlijk zijn er administratieve verklaringen voor deze grote verschillen. In Nederland worden zzp’ers, in tegenstelling tot een aantal andere landen, als ondernemers meegeteld en de vijfjaars overlevingskans van zzp’ers  lijkt maar 30% te zijn. Maar dat kan niet de totale verklaring zijn.

Bij gebrek aan wetenschappelijk onderzoek op dit terrein voel ik me vrij om met een eigen interpretatie te komen. Vlak voor de eeuwwisseling is er in Nederland sprake van een grote drang tot deregulering, zo ook op het vlak van ondernemerschap. Met het afschaffen van het Middenstandsdiploma en het verlagen of wegnemen van vestigingseisen werden drempels voor het starten van een onderneming weggenomen. Tegelijkertijd werd de samenleving op grote schaal geënthousiasmeerd om te gaan ondernemen en dat heeft geleid tot een explosie van starters. In dat lijstje scoort Nederland wel een top vijf positie. In andere landen heeft diezelfde beweging weliswaar plaatsgevonden, maar in een lager tempo. Mijn verklaring voor de lagere overlevingskans voor Nederlandse ondernemers ligt dan ook bij de transitiesnelheid van regulering naar deregulering. Dat heeft mijns inziens geleid tot een daling van de professionaliteit van de gemiddelde ondernemer en de stijging van het gemiddelde naïviteitsniveau.

Bedrijfsfalen kan worden afgedaan met “dat is typisch het risico van ondernemen.” Is de essentie van ondernemen immers niet het nemen van risico's door de ondernemer met alle positieve en negatieve gevolgen van dien? Of is de maatschappelijke impact van het omvallen van zoveel ondernemingen zo relevant, dat de samenleving er een mening over zou moeten hebben? Het jaarlijks verlies van zoveel ondernemingen en de schade voor de samenleving is groot, maar is het ook te voorkomen? Voor een deel althans? Of is dit het snijverlies van een ondernemende samenleving?

Uit informatie van CBS en EIM komen de volgende jaarlijkse cijfers naar voren met betrekking tot gestopte ondernemingen in 2009 en 2010:

  • 397 miljoen direct kapitaalverlies en dat treft met name de ondernemer en financiers
  • Naar schatting wordt bij het staken van een onderneming om financiële redenen slechts 5,6% van de restschulden afbetaald. Voor de samenleving levert dat een verlies op van 2,65 miljard euro
  • Daarnaast verdwijnt 243 miljoen uit het economisch verkeer als gevolg van boedel- en juridische kosten
  • Uitkeringsschade: Veel ondernemers doen een beroep op het sociale vangnet en een jaar na het beëindigen van de onderneming krijgt nog 18% van de betreffende ondernemers een uitkering. De totale last voor de samenleving in de vorm van uitkeringen als direct gevolg van het stoppen van ondernemingen bedraagt jaarlijks 1,5 miljard euro

Dat betekent een totale kostensom voor de samenleving van 4,8 miljard voor de 62.800 gestopte ondernemingen, waarbij ca. 3,8 miljard voor de ondernemingen die gestopt zijn vanwege financiële redenen. Een omvallende onderneming kost de samenleving dus gemiddeld 115.000 euro.

Het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) onderzoekt jaarlijks duizenden kleine ondernemers-in-nood. Uit dat onderzoek blijkt dat een grote groep ondernemers de juiste motivatie, goed energieniveau en in potentie een levensvatbaar bedrijf heeft, maar af en toe tekort komt op een deel van zijn competenties. Te late signalering, onbekendheid van hulpmogelijkheden en schaamte dragen ook bij aan de probleemsituatie waarin veel ondernemers terechtkomen. Veel ondernemers genereren duurzaam zelfstandig inkomen, maar die zelfstandigheid is kwetsbaar. Minstens tweederde deel van alle probleemgevallen blijkt niet crisisgerelateerd te zijn, maar het gevolg van ondernemers- of bedrijfsfalen. Vaak onnodig, omdat met een tijdelijk duwtje in de rug, preventief of corrigerend, de zelfstandigheid duurzaam kan worden gemaakt.

We hebben aan het Ministerie van Economische Zaken en aan diverse politici voorgesteld om tot een integrale aanpak tegen bedrijfsfalen te komen, om ervoor te zorgen dat minder ondernemingen in Nederland in de toekomst onnodig moeten stoppen. Wij denken dat op termijn (2020) een substantiële verhoging van de overlevingskans van ondernemingen haalbaar is. Daarbij streven we naar een verhoging van 54% in 2012 naar 75% in 2020.

In die integrale aanpak moet aandacht worden besteed aan preventieve, correctieve en adaptieve maatregelen, waarvan vele nauwelijks investeringen vragen, maar wel gegrondvest moeten zijn op goede wil en overtuiging.

In dat laatste speelt wetenschap en wetenschappelijk onderwijs een grote rol. Dit grote onderzoeksgebied kent veel meer vragen dan antwoorden. Het onderwerp ‘falende ondernemers’ is in de wetenschap helaas niet zo populair als in de politiek. En toch is de maatschappelijke impact immens. Als dit stuk in Vuurwerk iets kan bijdragen aan de academische bewustwording rond ondernemersfalen, dan is mijn missie geslaagd.