"Nut? wat nou nut, liefhebben dat telt."

"Daar wil ik naartoe, naar het wakker kussen van de motivatie van onze studenten."

Door Meindert Flikkema

Op zoek naar een opening voor deze korte bijdrage, stuitte ik in het katern Letter & Geest van het dagblad Trouw op een interview met Louis Andriessen. Andriessen (1939) is één van Nederlands belangrijkste hedendaagse componisten, een bevlogen man, een schepper. Hij maakt in Letter & Geest korte metten met het woord nut en stelt dat het enige nuttige het ontwikkelen van je denken is. Vooral liefhebben doet er toe naar de mening van Andriessen. Het liefhebben van je vak, oorspronkelijkheid en naasten. Daar komt het in de kern op neer. Dat telt. Zeer treffend wat mij betreft, inspirerend ook. Mogelijk provocatief voor economen die hun Angelsaksische mindset superieur achten en de homo economicus op straat denken tegen te komen. Hoe dan ook, als het goed is, is de claim van Andriessen over het belang van het ontwikkelen van je denken nog steeds onderdeel van het vormingsideaal van universiteiten. Dat ideaal staat echter naar mijn mening onder druk in de uitvoering in Nederland en daarbuiten. Vorming vult weliswaar als thema universitaire websites en ook de diesvieringen worden ermee opgeluisterd. Maar daarna stopt het.

De economisering van universiteiten is ook u waarschijnlijk niet ontgaan. Het gaat tegenwoordig primair om rendement en ranglijsten (r&r). Studenten moeten in hoog tempo door een opleiding heen en onderzoek moet een veelheid aan publicaties in wetenschappelijke toptijdschriften opleveren. Ik heb daarover en over de consequenties ervan het nodige geschreven en gezegd in opiniestukken voor AdValvas (Flikkema, 2013 en 2016) en de dagbladen Trouw (Meeter, 2016) en NRC (Flikkema, 2016). Het is geen eenmansactie. Ze past naadloos in de groeiende onvrede over het functioneren van universiteiten in de samenleving. Velen hebben daar met en zonder mij over geschreven en gesproken. Het gaat dan niet alleen over fraude in het onderzoek als gevolg van perverse prikkels, maar ook over het onderwijs. Neem bijvoorbeeld VU-wetenschapper Baardewijk die in het NRC overtuigend claimde dat de universitaire opleiding Bedrijfskunde te licht is of studenten die schrijven over massaal ‘nonderwijs’ (Griffioen en Van Winden, 2014). Nonderwijs dat de aanleiding was voor het bezetten van het Maagdenhuis van de UvA.

Het gaat goed met het universitaire onderwijs – op papier

Natuurlijk zijn er ook positieve berichten. Opleidingen worden ge(her)accrediteerd, de FEWEB-masteropleiding Economics is de beste van Nederland, de Vrije Universiteit Amsterdam is geslaagd voor de instellingstoets na een herexamen en voor de gehele wetenschappelijke staf is de basiskwalificatie onderwijs (BKO) nu een vereiste. Nederland scoort volgens de OESO-normen sowieso goed als het gaat om het onderwijs, ondanks de ook gesignaleerde geringe motivatie van leerlingen.

Het gaat goed met het universitaire onderwijs volgens de op papier gecreëerde werkelijkheid daarover. Op papier kun je namelijk wat niet is, toch zo doen lijken. Kruisjes zijn zo gezet, enthousiaste verhalen zo afgesproken. Nieuwe curricula zijn als de composities van Louis Andriessen. Uiteindelijk telt alleen de uitvoering. Daar wil ik naartoe, naar het wakker kussen van de motivatie van onze studenten. Het kan naar mijn mening in de niet-papieren werkelijkheid namelijk nog veel beter. Vooral de vorm van het onderwijs vormt, en dat bewustzijn is er niet. Als iemand prachtig oreert, betekent dit niet automatisch dat er veel wordt geleerd. Het leren op universiteiten is te oppervlakkig en er heeft een kaalslag plaatsgevonden voor wat betreft de vorming van studenten. Dat is problematisch in een seculariserende samenleving, waarin gemakzoekers een steeds groter aandeel krijgen (bron: Motivaction). Deze ontwikkeling gaat ook ten koste van cultuur en wetenschap. Alleen vakmensen zijn bereid om te volharden bij tegenslag en te wachten op schoonheid, zoals de dichter Keats (1795-1821) dat prachtig beschrijft.

Dat het universitaire onderwijs veel beter kan, daarvan ben ik het persoonlijke bewijs. Ik won diverse onderwijsprijzen en toch voel ik mij met grote regelmaat tekortschieten, eenoog of nederig als ik bijvoorbeeld naar ervaren vakdidactici van onze lerarenopleiding luister of kijk. Ik heb ze ontmoet, omdat ik benieuwd naar ze was naar aanleiding van het schrijven en samenstellen van het boek Sense of Serving: Reconsidering the Role of Universities Now, waarover later meer. Ze waren moeilijk te vinden. De universitaire lerarenopleiding is namelijk verdreven naar de periferie van de universiteit, zelfs letterlijk van de campus verdwenen. In sommige faculteiten buitenspel gezet. Tekenend is dat. Tekenend voor het proces van vervreemding, waar ook onze universiteit ingezogen is. Het lijkt een silent killer, een proces dat heel lang ongestoord zijn gang kan gaan en dan ineens, voorbij een tipping point, tot onherstelbare schade leidt. De zorg daarover heeft mij bewogen om terug en vooruit te kijken. Dat deed ik voor het eerst in het essay Sense of Serving.

Niet alles hoeft nut te hebben, wel zin

In Sense of Serving, een SOS pamflet waarover meer op www.senseofserving.com, stel ik dat Nederlandse universiteiten vervreemd zijn van hun oorsprong, de universitas, waarin de eenheid van onderwijs en onderzoek geleefd werd en dienstbaarheid aan de samenleving voorop stond. De universiteit van nu levert rendement en produceert een tsunami aan publicaties, zoals treffend verwoord door Dijstelbloem, Huisman, Miedema en Mijnhardt (2013) in het moedige position paper Science in Transition (SiT). Slechts een klein deel daarvan heeft betekenis voor de samenleving, de rest is research waste. Dat is overigens deels onvermijdelijk. Zonder eredivisie geen hoofdklasse. De auteurs van SiT roepen op tot het werken aan echte kennis. Kennis die betekenisvol is voor de samenleving. Die niet te academisch is, zoals soms gezegd wordt als hoger opgeleiden abstracties uitwisselen, zonder iets te zeggen of duur verpakte trivialiteiten. Niet alles hoeft nut te hebben, maar liefst het meeste wel zin.

De publicatietsunami waar in SiT over geschreven wordt, is het resultaat van het publish or perish-regime op universiteiten en de maatschappij ontwrichtende overtuiging dat meten weten is. Die is een symbool van de oprukkende meritocratie waarvoor de Britse sociale wetenschapper Michael Young al in 1958 waarschuwde en die zich onder de dekmantel van het neoliberalisme en varianten daarop steeds sterker aan ons openbaart. We koersen af op een samenleving van winnaars en verliezers. Het verwoest de sociale cohesie. Noem het provocatief. Ik beschouw het als descriptief. De feiten liegen niet. Als gevolg hiervan worden niet-meetbare universitaire idealen vervangen door niet valide indicatoren van de waarde of betekenis die onderzoek en onderwijs voor de samenleving hebben. Wordt er veel aan reversed engineering gedaan in onderzoek.

Wetenschappers presenteren deductieve logica, die na afloop van een onderzoek is toegeschreven naar de resultaten. Feitelijk immoreel, maar het gevolg van het moeten bedrijven van fast en I-science. Nota bene met publieke middelen worden papers gecomponeerd, zonder enige vorm van maatschappelijke verantwoording. De paragraaf voor practioners is een sluitpost, een verplicht nummer, bevat trivialiteiten of biedt geen valide aanknopingspunten voor complexe veranderingen die om een adaptieve benadering vragen (Heifetz, 1994). Wicked problems waarvoor eenvoudige oplossingen niet bestaan, slechts zetjes in de goede richting. Zetjes die het speelveld ook compleet kunnen veranderen.

Herstel het werken tussen meesters en gezellen

De waarde van wetenschappelijk onderzoek wordt overschat. Het bewijs daarvan is dat bedrijven verreweg het grootste deel van hun R&D inspanningen zelf leveren of uitbesteden aan commerciële onderzoekers. De groeiende publicatiegolf die universiteiten veroorzaken, correleert niet positief met economische groei, welzijn of welvaart. Vermoedelijk wel met ziekteverzuim en personeelsverloop op universiteiten. De claim dat de lat in het wetenschappelijk onderzoek zo hoog ligt, is niet valide. De publicatielat ligt hoog en daar is hyperspecialisatie voor nodig. Die heeft allerlei consequenties, zoals bijvoorbeeld de illusie van blind review: het reviewen van onderzoekspapers door niet met naam genoemde collega’s van andere universiteiten. Hyperspecialisten kennen elkaar, lezen elkaar, honoreren elkaars ijdelheid. De lat ligt pas hoog als je met resultaten van onderzoek of het onderzoek zelf, voel- of zichtbaar een bijdrage moet leveren aan universitaire idealen. Dat kan via eigen onderzoek, maar ook in samenwerking met studenten. Vooral door de samenwerking met studenten. We moeten de huidige intensieve ‘studentenhouderij’ vervangen en het werken tussen meesters en gezellen herstellen.

Naar mijn mening en die van anderen moet de staf van universiteiten zich veel dienstbaarder opstellen aan de samenleving. De sociale cohesie herstellen in de universitaire community of learners en de vorming van studenten centraal stellen. Dat zal niet direct lonen, maar wel louterend werken, ons vrij maken en de betekenis van het onderzoek voor de samenleving vergroten. Het zoeken naar het vinden van balans tussen onderzoek en onderwijs dient te worden gestaakt. We moeten ook stoppen met het formuleren van valorisatiedoelstellingen en geen apparaat optuigen voor community services, de zogenaamde giving-back-services. "Giving back" suggereert dat we niet voldoende geven voor wat we aan publieke middelen krijgen en dat is vreemd. Een soort van openbare spijtbetuiging. De universiteit vervult ten principale een community service en is geen omgeving waar getolereerd mag worden dat hobby’s van publicatiekanonnen of hun megalomanie, post-hoc als pogingen tot wereldverbetering worden neergezet! Dat is zo ongeloofwaardig, misschien zelfs hypocriet.

Valorisatie is een begrip uit het idioom van economen, oorspronkelijk overigens van Karl Marx. Het staat symbool voor de economisering van universiteiten, maar past een stuk minder bij universitaire idealen. Universiteiten moeten ridders zijn van niet-onderhandelbare moraliteit en waarden toevoegen aan de samenleving. Bijvoorbeeld in de vorm van het schijnen van een tegenlicht als de door Arendt (1958) beschreven human condition verslechtert. Ze moeten zich sterk maken voor sociaal existentialisme, voor medemenselijkheid. Naar mijn mening zouden daarom waarden als waarachtigheid, waardigheid, bedachtzaamheid en dienstbaarheid de hoekpunten moeten vormen van de eigentijdse Bildung van studenten. Deze Bildung zal het proces van waarheidsvinding stutten en nieuwe wetenschap betekenisvoller maken voor de samenleving. Samenleven bevorderen.

De rector magnificus van de Vrije Universiteit, professor Vinod Subramaniam, heeft onderwijs tot core business verheven. Dat klinkt mooi, maar wordt pas mooi als de Vrije Universiteit zich weet te bevrijden van instituties die een bedreiging zijn voor haar idealen. Als ze de universitaire lerarenopleiding aan haar borst drukt, verantwoordelijkheid neemt voor de PO-VO-WO-onderwijsketen en studenten de regie over het leerproces teruggeeft, ommuurd door eigentijdse Bildung. Van masterstudenten vraagt om te ‘leren in context’. Voor te sorteren op een beroepspraktijk en maatschappelijke vraagstukken die er toe doen. We hebben componisten nodig, zoals Andriessen, die de toon zetten voor het vormen van vrije universiteiten en de uitvoering overlaten aan orkesten zoals Amsterdam Sinfonietta. Dat speelt zonder dirigent. Zoiets kan alleen als je elkaar goed aanvoelt en wilt aanvoelen. Als gemeenschappelijkheid niet iets is waar je je op voorstaat, maar een diep gedeelde conditio sine qua non voor schoonheid vormt. Als de liefde telt.

Meindert Flikkema
Meindert Flikkema is Universitair Hoofddocent en werkzaam bij de afdeling Management & Organisatiekunde en de VU Business School.

Referenties

Arendt, H. (1958). The human condition. University of Chicago Press.
Baardewijk, J.J. van (2014). Universiteit wordt te licht. NRC, Opinie, 23 mei 2014.
Dijstelbloem, H., Huisman, F., Miedema, F. & Mijnhardt, W. (2013). Science in Transition. Position paper, versie 2, 17 oktober 2013.
Flikkema, M.J. (2013). Geef docenten perspectief. Ad Valvas.
Flikkema, M.J. (2016). Core business nog geen serious business. Ad Valvas.
Flikkema, M.J. (2016). So you think you can teach. Verschijnt in NRC.
Griffioen, R. en J. van Winden (2014). Decademia. In: Verbrugge, A. en J. van Baardewijk (2014, eds). Waartoe is de universiteit op aarde? Boom, Amsterdam, pp. 17-23.
Heifetz, R.A. (1994). Leadership without easy answers. Harvard University Press.
Meeter, E. (2016). Vorming van studenten is compleet uit het oog verloren. Trouw, 25 april 2016.