De boekenkast van... Michiel Keyzer

Michiel KeyzerMet zijn rede “De honger in de wereld, kun je daar wel veel aan doen? Interventiemechanismen en beleidsruimte in de voedselvoorziening” is Professor Michiel Keyzer op 27 juni jongstleden, met emeritaat gegaan. In 1972 is Michiel Keyzer als onderzoeker zijn wetenschappelijke carrière aan de Vrije Universiteit begonnen. Door een project van de Vrije Universiteit en de Universiteit van Wageningen voor de Club van Rome (1972-1975) maakte Michiel Keyzer al snel naam op het terrein van de wereldvoedselproblematiek en toegepaste algemeen evenwichtsanalyse. Na een periode als gastonderzoeker verbonden te zijn geweest aan het International Institute of Applied Systems Analysis (IIASA) in Laxenburg (Oostenrijk), was hij sinds 1979 verbonden aan de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening (SOW-VU), waarvan hij sinds 1995 directeur is. Als hoogleraar wiskundige economie hield Michiel Keyzer zich vooral bezig met de modellering van de effecten van voedsel- en landbouwbeleid en beleid ter bestrijding van armoede.

Michiel Keyzer nam gedurende zijn loopbaan zitting in tal van adviescommissies en werkgroepen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het vroegere ministerie van Landbouw en van de Europese Commissie in Brussel, en vooral ook internationaal in vele partnerlanden. Daarnaast was hij tot voor kort lid van de Strategic Advisory Board van de International Food Policy Research Institute (IFPRI) in Washington en is hij al vele jaren buitengewoon hoogleraar van het Centre for Chinese Agricultural Policy van de Chinese Academie voor Wetenschappen. Kortom, Michiel Keyzer is een wetenschapper met een grote maatschappelijke betrokkenheid. Interessant te bezien is of er boeken zijn die voor hem leidend zijn geweest in zijn vorming.

Michiel Keyzer stelt dat er voor hem twee interessante typen boeken zijn. Boeken die inspirerend zijn, omdat je het gedachtengoed omarmt en het je verder helpt in je denkproces, zoals het boek “Three essays on the state of economic science” van Tjalling Koopmans uit 1957, die in 1975 tezamen met Leonid Kantorovich de Nobelprijs voor Economie kreeg toegekend. De tweede categorie interessante boeken zijn de boeken waarmee hij het oneens is, maar waar hij wel wat mee kan. Het betreft “inspirerende boeken over hoogst interessante onderwerpen, maar die economisch niet aan de maat zijn.” Als voorbeelden van deze categorie boeken noemt hij – opvallend genoeg – “World Dynamics” van Forrester (1971) en “The limits to growth” van Meadows, Randers en Behrens (1972): het eerste en tweede rapport van de Club van Rome. De integrale visie op de wereldproblematiek sprak de jonge Keyzer zeer aan, maar de modelmatige uitwerking rammelde volgens hem aan alle kanten. Dat kon beter constateerde hij en samen met Jan-Willem Gunning stortte hij zich, voor hun afstudeerscriptie in Groningen, op een verbetering van het model van Meadows. Hoewel zij hun kennis en kunde op dat moment iets overschat hadden – het model is nooit afgekomen – wisten ze hierbij wel de aandacht te trekken van Jan Tinbergen en Hans Linnemann. Het gevolg was dat ze door hen werden gevraagd aan de Vrije Universiteit mee te komen werken aan een van de volgende projecten voor de Club van Rome, hetgeen Michiel Keyzer deed, en dit leidde vervolgens voor hem weer tot de uitnodiging van Tjalling Koopmans om aan een follow-up project over global modelling deel te nemen bij IIASA. Zo werd Michiel Keyzer dus vanuit de wiskundige economie de wereld van de wereldvoedselproblematiek en armoedebestrijding ingetrokken.

Michiel Keyzer ontwikkelde daarbij een brede blik op deze problematiek: hij verafschuwde de puur op generalisatie gerichte econometrische modellen met grote storingstermen, en besloot zich te werpen op de welvaarts- en algemeen evenwichtstheorie, om de integratie van kennis uit verschillende disciplines binnen een strenge architectuur bijeen te brengen. Elk land, maar ook elk probleem, heeft zijn eigen verhaal te vertellen, en juist die historische achtergrond van de ontwikkeling moet je kennen om de concrete klant te bedienen. De storingsterm moet dus zo klein mogelijk gemaakt worden door de koppeling van multidisciplinaire kennis binnen een goed geformaliseerd theoretisch kader, met aandacht voor het bijzondere van elk geval. Naast het al genoemde boek van Tjalling Koopmans uit 1957, waaruit Michiel opmaakte dat economische analyse maatschappelijk betrokken en tegelijkertijd streng van aanpak kan en moet zijn, waren “Welfare economics and existence of equilibrium for a competitive economy” van Negishi uit 1960 (hoe je in algemeen evenwichtsanalyse via welvaartstheorie maximaal gebruik kunt maken van convexe analyse en bijbehorende algoritmen), “Iterative solution of nonlinear equations in several variables” van Ortega & Rheinboldt uit 1970 (de formele weg van wiskundige analyse naar algoritmiek) en niet te vergeten “Ethica” van Spinoza uit 1675 (filosofie) enkele belangrijke inspiratiebronnen waarop zijn werk gebaseerd is.
  
Als directeur van de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening kan Michiel het niet nalaten te eindigen met een wijze les die eenieder die zich met beleidsadvisering bezig houdt goed in de oren moet knopen: het gaat er niet om de minister of een andere hoge beleidsambtenaar te overtuigen. Dat zijn immers passanten. Het gaat er om, lang na beëindiging van het project, contact te onderhouden met het projectteam waar je mee samen hebt werkt. Het projectteam moet de plannen implementeren en bij dit team moet je jouw boodschap goed laten landen. Die boodschap betreft veel meer dan het beleidsterrein zelf. Het gaat om onderzoekscultuur, om visie op internationale vraagstukken, om de benaderingen die het vruchtbaarst blijken. Deze boodschap moet je – in verschillende  bewoordingen en met de nodige vernieuwing – je leven lang blijven herhalen, ook na je pensioen.