Minister Ploumen’s agenda voor hulp, handel en investeringen

Jan Willem Gunning [1] 

Gunning, Jan WillemEr zijn weinig onderwerpen waarover de VVD en PvdA zo verschillend denken als over hulp en handel. Minister Ploumen zal zich dan ook in bochten hebben moeten wringen om met haar nieuwe beleid beide coalitiepartners tevreden te stellen. Wie haar nota leest, ziet dat wringen. Zo lezen we: “De markt is [..] onmisbaar in de strijd tegen armoede. Daarom stimuleert dit kabinet investerings- en handelsactiviteiten die goed zijn voor mens en milieu, die werkgelegenheid creëren, en die bij voorkeur gepaard gaan met overdracht van kennis en vaardigheden.” Maar op dezelfde bladzij staat: “Handel en investeringen stimuleren we vooral uit eigenbelang.” Voor beide standpunten valt iets te zeggen, maar je kunt ze niet tegelijk innemen. Toch probeert de minister dat te doen. Erg helder is haar beleid daardoor niet.

De minister wil verschillend beleid voor drie groepen landen. Zij wil hulprelaties met “landen die hun armoedeprobleem niet zelf kunnen oplossen” (tot die groep behoren o.a. Jemen, Zuid-Soedan en Burundi), handelsrelaties met landen als de Verenigde Staten, India, Mexico en China en een combinatie van hulp en handel voor een tussencategorie waartoe o.a. Bangladesh, Kenia en Indonesië behoren.

Economische rationaliteit speelt in de plannen geen grote rol. Eén van de ambities van de minister is “succes voor Nederlandse bedrijven in het buitenland.” Als die bedrijven een zetje krijgen door het stimuleren van handel en investeringen wordt daarmee kennelijk ook het algemeen belang gediend: “What is good for General Motors is good for the country.” Onze studenten leren waarom dat bijna altijd een slecht idee is, ook als andere landen hun bedrijven wel steunen. De nota maakt zich (helaas nogal voorspelbaar) ook sterk voor een “gelijk speelveld” voor die Nederlandse bedrijven. Onze studenten herkennen ook dat argument als lariekoek: wie speelvelden gelijk maakt, vernietigt comparatief voordeel.

Nederlandse bedrijven zijn al zeer succesvol zonder dergelijke steun. Maar ondernemers vertrouwen zelden in de markt, een merkwaardig feit waarop Adam Smith al wees. In Nederland hebben ondernemers decennia lang om staatssteun uit de ontwikkelingspot gevraagd voor hun activiteiten in ontwikkelingslanden. Die steun is gegeven en dat maakt het lastig voor de minister om nu een andere koers te varen.  Er is nog een bezwaar: als de regering echt Nederlandse bedrijven wil steunen, dan moet dat transparant gebeuren, niet vanuit de begroting van Buitenlandse Zaken met een verwarrende suggestie dat we met die steun ook armoede bestrijden.

Landen in de tussencategorie wil de minister helpen door hun toegang tot internationale markten te verbeteren – een voortreffelijk plan – en ook door financiering uit het nieuwe Dutch Good Growth Fund. Die naam klinkt Orwelliaans. Heel lang vond het ministerie economische groei maar een heel vies woord. Nu men eindelijk erkent dat de armoede zonder groei de wereld niet uitgaat, wordt er nog wel een voorbehoud in de naam gezet: het moet wel goede groei zijn. Ondernemers in die landen en Nederlandse bedrijven, liefst uit de MKB-hoek, kunnen geld uit dat fonds krijgen als zij samen activiteiten willen starten. Wat een warrig idee! Kunnen die bedrijven dat geld niet lenen? Als er een kapitaalmarktimperfectie is, zou je die dan niet rechtstreeks willen aanpakken in plaats van compensatie aan te bieden aan een heel speciale groep: plaatselijke bedrijven die met Nederlandse ondernemers in zee willen? Ook in dit geval  begrijp ik dat dit politiek handig is, maar de economische rationaliteit is ver te zoeken.  De minister maakt er zich wat makkelijk van af door boud te stellen dat hier sprake is van marktfalen: de bedrijven kunnen potentiële financiers (nog) geen zekerheden bieden. Dat lijkt me wat kort door de bocht, zeker gezien de alliantie met een Nederlands bedrijf.

De nota geeft aan dat de relatie van Nederland met internationale organisaties gaat veranderen: steun gaat voortaan vooral naar die organisaties “die actief zijn op terreinen waar Nederlandse bedrijven, kennisinstelling en maatschappelijke organisaties tot de top behoren.” Duidelijk is dat niet: gaan we dan meer of juist minder binnen de Wereldbank, de FAO of de WTO doen? Er kan een tweede kanttekening worden geplaatst. Nederland is onder minister Timmermans bezig om weer iets van de oude reputatie van een zeer gewaardeerde partner in de internationale arena terug te winnen. Zetten we dat op het spel door zo nadrukkelijk het eigenbelang richtinggevend te maken? Ik weet het niet, want ook in dit geval spreekt de minister met twee tongen: elders in de nota staat dat internationale organisaties “een belangrijke rol [spelen] bij directe armoede-bestrijding .. Nederland is daarom vol overtuiging lid van een aantal internationale organisaties ..”. Dat klinkt heel anders. 

Nog één voorbeeld. De minister vraagt zich af of lage- en middeninkomenlanden “zich snel genoeg hebben ontwikkeld om de internationale concurrentie aan te kunnen.” Kennelijk is het antwoord nee, want: “We maken ons in EU-verband hard voor lange overgangsperiodes ..” voor de ACP-landen (vooral Afrikaanse landen) die hun invoerbeperkingen zouden moeten wegnemen. Dat lijkt een infant industry voorstel. Er is overvloedig bewijs dat Afrika zichzelf enorm heeft benadeeld door protectie. Gaat Nederland zich nu inspannen om die beschermings-constructies, waarvan vooral rijke elites profiteren, overeind te houden? Ja. Terwijl deze discussie al 15 jaar loopt, zouden deze landen volgens de nota nog 25 jaar de tijd moeten krijgen om te liberaliseren. Op die manier wordt een scheve economische structuur in beton gegoten en wordt het heel moeilijk om aansluiting op de wereldmarkt te vinden. Dat invoerrestricties in feite een belasting op de uitvoer vormen zal bij de economen op het ministerie toch wel bekend zijn? 

Er staat gelukkig ook heel veel goeds in de nota. De minister zegt onomwonden dat hulp heel belangrijk kan zijn, maar nooit doorslaggevend is. Nederland gaat zich inzetten voor verdere afbouw van de handelsverstorende subsidies in het Europese Gemeenschappelijke landbouwbeleid. De minister steunt arme landen met kennisopbouw om beter in de WTO te kunnen functioneren. De definitie van hulp moet op de schop. Zeer terecht: allerlei maatregelen waarbij ontwikkelingslanden veel baat hebben vallen niet onder de definitie en omgekeerd vallen maatregelen waarvan zij last hebben (zoals schuldverlichting) er wel onder. Het is bizar dat in Nederland de emoties over hoeveel hulp wij geven hoog oplaaien, terwijl vrijwel niemand weet wat tot die hulp wordt gerekend. 

Beleidsnota’s zijn vaak vooral interessant vanwege wat er niet in staat. Het WRR-rapport over ontwikkelingssamenwerking (2010) zag de organisatievorm als een majeur probleem: het beleid moest weggehaald worden van de amateurs en overgedragen worden aan deskundigen in een professionele organisatie. Engeland, Duitsland, Frankrijk en vele andere landen hebben dat gedaan, Nederland houdt vast aan een negentiende-eeuws model dat steunt op generalisten. Elke nieuwe minister ziet dit probleem en loopt er vervolgens met een grote boog omheen, want verbetering vergt veel bloed, zweet en tranen. Het vorige kabinet omarmde het WRR-rapport, maar negeerde vervolgens deze centrale aanbeveling. Helaas gebeurt dat nu opnieuw.


[1] Jan Willem Gunning is hoogleraar bij de sectie Ontwikkelingseconomie, FEWEB, De Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam, j.w.gunning@vu.nl