Winnaar Best Lecturer Award FEWEB

Henri de GrootInterview met Henri de Groot [1]

Door: Hester van Rijn

Hoe/wanneer ben je op de VU terechtgekomen?
Ik ben in 1998 als postdoc aan de VU komen werken. Voor die tijd was ik student en daarna AIO aan de Katholieke Universiteit Brabant (nu Universiteit van Tilburg). De basis voor de liefde voor het vak en ook het geven van onderwijs ligt zeker in Tilburg, waar ik al als tweedejaarsstudent aan eerstejaarsstudenten werkcolleges micro, macro en sociale economie mocht geven.

Je houdt je onder meer bezig met de sociale en duurzame kant van de economie zoals werkloosheid, klimaat-verandering en globalisering. Wat trekt jou aan in die richting?
Ik zie mezelf eigenlijk nog steeds als algemeen of macro-econoom. Tijdens het schrijven van mijn proefschrift ben ik gegrepen door vraagstukken naar determinanten en ook de gevolgen van economische ontwikkeling. Zoals de Nobelprijswinnaar Robert Lucas ooit zei: 'Once you start thinking about economic growth, it is hard to think about anything else.' Ik kan volmondig beamen dat hij daarin gelijk heeft. Het gaat om de grote, relevante vragen waar we elke dag weer nieuwe inzichten voor weten te vinden. Zo houd ik me al enige tijd bezig met onderzoek naar het belang van cultuur en instituties voor economische ontwikkeling. Ook vraagstukken omtrent economische ontwikkeling op lage ruimtelijke aggregatieniveaus (groeiverschillen tussen en ook binnen steden) zijn van groot belang en kunnen we met microdata in toenemende mate goed onderzoeken. Dat is leuk, spannend en maatschappelijk erg relevant. 

Hoe zou je je eigen stijl als docent omschrijven?
Ik beschouw mezelf als een erg betrokken docent. Ik probeer de passie voor het vak op studenten over te brengen en studenten te prikkelen om na te gaan denken over complexe onderwerpen. Daarbij probeer ik aan de hand van actuele onderwerpen ook voortdurend de link met de actualiteit te zoeken en daarmee de relevantie van de te bestuderen stof te laten zien. Ik ben er ook van overtuigd dat daardoor de materie veel langer en beter beklijft. Als ik studenten in de pauze verder zie discussiëren over het onderwerp van het college dan is mijn opzet geslaagd. Verder probeer ik mijn onderwijs altijd heel strak te organiseren. Vanuit die organisatie en strakke afspraken ben ik vervolgens graag bereid om allerlei ruimte te scheppen voor flexibiliteit, maar goed onderwijs begint met een goede organisatie.

Welke feedback krijg je vaak van studenten?
Het enthousiasme voor mijn vak werkt denk ik bij veel studenten wel aanstekelijk. Sommige studenten vinden overigens ook dat ik daar soms te ver in doorschiet. Ook probeer ik studenten bij het college te betrekken door interactief en veel vragen stellend door de stof heen te lopen. Sommige studenten vinden dat heerlijk, maar andere studenten vinden dat alleen maar lastig en vertragend werken. Voor mij is het betrokken krijgen van studenten echter dusdanig cruciaal dat ik dat laatste graag op de koop toeneem. En tot slot hoor ik van veel studenten vaak terug dat ze de heldere structuur, afspraken en organisatie waarderen in combinatie met betrokkenheid en bereikbaarheid voor de studenten.

Wat zijn de leuke kanten van doceren? En wat de minder leuke kanten?
Het voor de klas staan en een groep aan de praat krijgen is elke keer weer een heerlijke uitdaging waar ik enorm van kan genieten. Van de interactie met jonge, leergierige mensen krijg ik enorm veel energie. Ik leer daarvan elk jaar weer nieuwe dingen en zoek de uitdaging ook bewust op. Daarmee blijft onderwijs geven overigens ook mentaal maar ook fysiek erg vermoeiend. Na twee uur college geven moet ik echt even uitblazen. Minder leuk zijn de reacties van sommige studenten – het zijn er gelukkig niet veel – die uitstralen hun studie eigenlijk helemaal niet leuk te vinden. Een student die vraagt: 'Moeten we dat kennen voor het tentamen' is voor mij echt een enorme afknapper. Zo enorm zonde dat studenten niet kunnen of willen zien in wat voor een enorm luxeperiode ze zitten, waarin ze zo ontzettend veel kunnen leren en zich persoonlijk zo enorm kunnen ontwikkelen, mits ze er ook echt inhoudelijk voor willen gaan.

Wie vond je tijdens je eigen studie de beste docent en waarom?
Inhoudelijk zie ik Theo van de Klundert als mijn grote voorbeeld. Hij was een van de toonaangevende macro-economen in Tilburg. Ik zie hem als een van de meest belezen en erudiete macro-economen van ons land. Zijn colleges waren inhoudelijk van zo’n enorm hoog en uitdagend niveau dat ik daar nog vaak met heel veel plezier aan terugdenk. Specifiek op het punt van onderwijs heb ik enorm veel van Ton van Schaik geleerd. Ook hij was hoogleraar macro-economie. Hij legde veel nadruk op het belang van combineren van theorie en empirie. Ook het ontwikkelen van studiemateriaal was een grote passie van hem. Ik heb daar als student-assistent aan bij mogen dragen en heb daar veel van geleerd en pas veel nog elke dag toe. Ook heb ik van hem veel geleerd rondom het organiseren van onderwijs.

Wat vind je van de huidige ontwikkelingen in het onderwijs zoals bezuinigingen, boetes voorlangstudeerders, etc.?
Ik maak me wel eens zorgen over het bewaken van een goede balans tussen de drie verschillende kerntaken die we hebben als wetenschappers, namelijk onderzoek, onderwijs en maatschappelijke dienstverlening. Die zijn alle drie wat mij betreft van even groot belang. Toch bespeur je zo nu en dan een balans die door dreigt te slaan naar onderzoek. Daar ligt een grote uitdaging. Studenten hebben recht op het best denkbare onderwijs en we zijn het aan de maatschappij verplicht daar invulling aan te geven. Dat kost, als je het goed wilt doen, veel tijd en energie en die lijkt er over de jaren heen steeds minder te zijn.

Rondom langstudeerdersboetes en dergelijke heb ik een heel dubbel gevoel. De maatschappij hoeft niet op te draaien voor studenten die erg lang over hun studie doen. Het oude systeem was wat dat betreft wel heel erg luxueus. Ik ben zelf denk ik van de lichting die zo ongeveer van alle luxes zo optimaal als mogelijk gebruik heeft kunnen maken. Tegelijkertijd weet ik ook hoe belangrijk juist je studieperiode is voor je persoonlijke ontwikkeling. Dat gaat om veel meer dan colleges volgen, boeken bestuderen en tentamens maken. Daar horen ook activiteiten bij studie- en studentenverenigingen bij, actief zijn bij je opleiding via Opleidingscommissies, bijwonen van symposia, organiseren van discussieavonden, enzovoort. Ik ben daarin zelf ook erg actief geweest en heb dat als enorm waardevol ervaren. Als het gevolg daarvan is dat studenten wat langer over hun studie doen maak ik me daar niet zo’n zorgen over. Studenten zouden zich er overigens ook niet zo druk om moeten maken dat ze daardoor een wat hogere studieschuld opbouwen. Die verdienen ze later in hun carrière makkelijk terug. Het is een investering in je eigen toekomst. Daarbij besef ik me dat investeren in je eigen toekomst anders klinkt dan een langstudeerdersboete, maar inhoudelijk gezien is het niet wezenlijk anders. Nog mooier zou een sociaal leenstelsel zijn, maar of dat politiek haalbaar is weet ik niet.

Wat wilde je vroeger worden? Heb je altijd al gedacht in het onderwijs of onderzoek terechtte komen?
Ik wilde niet worden wat mijn vader was. Die moest namelijk vaak ’s avonds werken – en kon me dan niet voorlezen – en was zo gepassioneerd voor zijn vak dat het vaak onderwerp van gesprek was tijdens het eten. Dat vond ik niet altijd leuk. Ik ben inderdaad iets anders gaan doen dan mijn vader. Gepassioneerde discussies zijn echter ook bij mij thuis aan de orde van de dag en ’s avonds thuis zijn lukt ook lang niet altijd... 

Welk(e) vak(ken) geef je?
Ik geef Ruimtelijke Economie 2.4 en ik verzorg een thema in periode 2.6 van de BSc Economie en Bedrijfseconomie. In de BSc Aarde en Economie geef ik Inleiding Economie en Publieke Economie. In de MSc STREEM geef ik het vak Regional and Urban Economics en bij het Tinbergen Instituut geef ik Spatial and Transport Economics. Daarnaast begeleid ik elk jaar vijftien tot twintig scripties bij de verschillende opleidingen waarbij ik betrokken ben.

Wat zijn je favoriete bezigheden als je niet met werk bezig bent?
Ik lees graag Russische literatuur, ik maak graag fietstochten (bij voorkeur met mijn zoontje van 10) en ik houd van wandelen.

Waar denk/hoop je over tien jaar te zijn?
Daar denk ik eigenlijk niet zo over na. Ik heb het nu enorm naar mijn zin bij de afdeling Ruimtelijke Economie en woon met plezier met mijn gezin in Hoofddorp. Dat zou over tien jaar zomaar nog steeds zo kunnen zijn, maar het is niet iets waar ik me echt mee bezig houd.


emptyempty[1] Henri de Groot is hoogleraar Regionaal Economische Dynamiek bij de afdeling Ruimtelijke Economie, FEWEB, de Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam, h.l.f.de.groot@vu.nl