De beleidseconoom in spagaat

Pierre Koning [1]

Koning, PierreVaak kijken VU-collega’s me meewarig aan als ik ze vertel ook te werken op een ministerie. Omgekeerd is dat bij mijn collega’s op het ministerie niet veel anders. Hoe kun je naast je werk als onderzoeks-coördinator ook nog meedraaien op een universiteit? Je zou haast gaan geloven dat de combinatie van onderzoek en beleid onmogelijk is.

Laat ik meteen maar toegeven dat ik begrijp waarom mensen zo denken. Het is nu eenmaal zo dat beleid en wetenschap twee verschillende werelden zijn. Vergelijk het maar eens met short track schaatsen en langebaanschaatsen: sporten die veel op elkaar lijken, maar verschillende beoefenaars hebben en een verschillend publiek. Mensen die beide disciplines beheersen zijn zeldzaam. Evenzo is het aantal economen beperkt dat werk op een universiteit en een ministerie of andere overheidsorganisatie combineert. Ik ken ze in ieder geval nauwelijks.

De verklaring voor deze scheiding van werelden komt van beide kanten. Om met het ministerie te beginnen: onderzoek dat we bij Sociale Zaken doen of laten doen moet vooral dienstbaar zijn aan beleid. Het kan ook als bliksemafleider fungeren om de angel uit een discussie te halen en tijd te winnen. Die dienstbaarheid is tamelijk dominant, zeker in het onrustige vaarwater waarbinnen de bewindslieden moeten laveren. De vraag is wat onderzoekers dan nog te winnen hebben in zo’n omgeving. Onderzoek mag niet teveel ongewisse uitkomsten opleveren.

Deze argumentatie mag logisch klinken, maar gaat voorbij aan het feit dat afnemers van onderzoek niet dom zijn. Als onderzoek geconditioneerd of bevooroordeeld is, dan zullen mensen dat snel door hebben en de uitkomsten niet geloven. Er staan dan ook geen gevestigde wetenschappers achter die hun naam aan het onderzoek verbinden. Dit kan er toe leiden dat op beslissende momenten – bijvoorbeeld bezuinigingsrondes – er geen onderzoeksmateriaal is om andere partijen te kunnen  overtuigen van het nut en noodzaak van beleid. Een voorbeeld daarbij is het actief arbeidsmarktbeleid dat de overheid voert. Zonder bewijs van effectiviteit is er een gerede kans op bezuinigingen.

Dan de universiteit. Duidelijk is dat de laatste twee decennia de meeste economiefaculteiten in Nederland een veel internationaler karakter hebben gekregen. Dat uit zich in een groot aandeel buitenlandse medewerkers en een sterke nadruk op publicaties in hoogwaardige internationale tijdschriften. Ik denk dat er weinig discussie bestaat over de positieve gevolgen die dit heeft gehad voor het niveau van onderzoek op de faculteiten: meer prestatiedruk, meer specialisatie en meer kwaliteit. Er is echter wel een prijskaartje. Ten eerste zitten economen door hun specialisatiedrang steeds meer verstoken in de loopgraven van hun onderzoek. Hierdoor ontbreekt het aan een breed overzicht van het vakgebied, laat staan een algemeen besef wat nu de leidende vragen zouden moeten zijn binnen de economie. Het tweede gevolg van internationalisering is dat de nationale, Nederlandse beleidscontext er eigenlijk niet meer zo toe doet. De Wet werken naar vermogen, de WGA-flex regeling en de deeltijd-WW zijn allemaal onderwerpen waarbij ik de stelling aandurf dat een goed geïnformeerde krantenlezer er meer van weet dan de gemiddelde arbeidseconoom die werkzaam is op een Nederlandse economiefaculteit. Wat dit betreft lijken we langzaam af te nemen van een rijke traditie waarin vooraanstaande Nederlandse economen zowel in wetenschap als beleid actief waren – met Jan Tinbergen wellicht als meest prominente voorbeeld (Van Dalen en Klamer, 1997).

Ook deze verklaring – nu dus aan de kant van de universiteit – heeft schijnbaar iets logisch en onvermijdelijks: betere kwaliteit drijft onderzoekers weg van beleid. Maar wederom ontbreekt er iets in de argumentatie. Voor mij is de economie als wetenschap aantrekkelijk, omdat het gaat over maatschappelijke vraagstukken waar je de helpende hand wilt bieden. Het gaat ook om mensen van vlees en bloed. Voor mijn eigen onderzoek betekent dit dat ik geregeld spreek met klantmanagers bij re-integratie: wat drijft hen, hoe voeren zij verordeningen van hogerhand uit? Het verbaast me dan ook dat onderzoekers zich vaak jaren opsluiten op hun kamer en alleen de confrontatie aangaan met vakbroeders. Beter begrijpen hoe nieuw beleid tot stand komt, wie dat dan moeten uitvoeren en wat voor informatie nodig is om beleid goed te evalueren... Daar dicht bovenop zitten heeft mij altijd een schat aan informatie opgeleverd en vooral ook veel inspiratie voor het doen van nieuw onderzoek.

Terugkerend naar de start van mijn betoog: ik zal niet ontkennen dat beleidseconomen in een spagaat zitten tussen beleid en wetenschap. Die verschillen zijn er gewoon, ze waren er al en ze zullen blijven bestaan. Ik pleit alleen voor een verandering van perspectief: de spagaat biedt volop kansen op beter onderbouwd beleid en onderzoek dat er toe doet. En zeg nou zelf: is een spagaat niet één van de mooiere elementen vemptyan het turnen?

Referentie:
Van Dalen, H., en A. Klamer (1997). Telgen van Tinbergen, Uitgeverij Balans.


[1] Pierre Koning is bijzonder hoogleraar Arbeidsmarkt en Sociale Zekerheid en Chief Science Officer bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam, P.W.C.Koning@vu.nl, PKoning@minszw.nl